Het sprookje van de 3 ridders
14 February 2007
By on 09:48

.

Er waren eens drie ridders. Elk met een eigen leger. Ze wilden Hol-land redden van verval. De moraalridder leek op Harry Potter. Zijn twee hulpjes lachten voortdurend. Dat was om het volk zand in de ogen te strooien. Dat moest denken dat ze het beste hen voor hadden.

Eén ridder was doof aan zijn linkeroor en hield voortdurend een schelp voor zijn rechteroor. De andere ridder had kruis op zijn cape en een bijbel in zijn broeksband gestoken. De eerste 100 dagen zag het volk de drie ridders niet. Ze sloten zich op in kasteel Binnenhof.

Op een dag kwamen ze juichend naar buiten. Ze hadden een plan opgesteld om Hol-land te redden. Om het land te regeren hadden ze bestuurders nodig. Slechts verraders traden toe tot de regering. Daarom benoemden ze allemaal vriendjes tot kabinetsleden.

Veel mensen wilden niet met de ridders samenwerken. Ze noemden zich ‘de oppositie’. Als de tijd daar rij voor was zouden ze de macht grijpen. Tot die tijd speelden zij het spelletje met de ridders mee. Van zijn legeraanvoerders moest de Schelpridder veel vrouwen benoemen.

Toen hij niet genoeg vakvrouwen vond plukte hij er een paar van de straat. De eerste die hij tegenkwam lag laveloos in de goot. Hij gooide haar een emmer water in het gezicht en zei dat ze nooit meer mocht drinken. Toen benoemde hij haar tot minister van binnenlandse zaken.

De Schelpridder kwam een vrouw tegen die al twaalf jaar op haar stoel zat. Uit teleurstelling over twee mislukte studies aan de universiteit had ze besloten nooit meer op te staan. Ze zag er verwaarloosd uit. De Schelpridder vond haar zielig en maakte haar staatssecretaris.

De Schelpridder hoorde dat er een hele slimme tovenaar was. Het was een zelfingenomen man. Hij was altijd aan het experimenteren in zijn laboratorium. Daarom wist hij niet meer hoe hij met mensen om moest gaan. Hij vond het onzin mensen een hand te geven.

Iedere zondagmorgen hing de tovenaar uit zijn raam. Dan gilde hij hoe de mensen zich dienden te gedragen. Dat vond de Schelpridder heel moedig. Hij benoemde hem daarom tot minister van onderwijs. De tovenaar verhuisde van het Buitenhof naar het Binnenhof.

Op straat kwam de Schelpridder een Moor tegen en raakte met hem in gesprek. De Moor vertelde dat hij iedereen in de stad waar hij woonde aan werk had geholpen. De Schelpridder was zo onder de indruk van zijn uitstraling dat hij hem ter plekke tot staatssecretaris benoemde.

Bij het leger van de Moraalridder moesten de legeraanvoerders kabinetsleden worden. Dat kwam omdat het uit drie verschillende volken bestond. Die wilden allemaal evenveel belangrijke baantjes. Daar moest scherp op worden toegezien. Anders kregen ze ruzie.

De Moraalridder was niet blij met deze politieke inteelt. Toch gaf hij er aan toe. De vrouw die hard riep dat ze in het kabinet wilde benoemde hij tot staatssecretaris van onderwijs. Dan hield ze tenminste haar mond. Zijn zuidelijke vriend werd minister van buitenlandse zaken.

Deze man kon acteren als geen ander en was dus bij uitstek geschikt voor deze functie. In de internationale arena speelde iedereen toneel. Een vriend van de Moraalridder werd minister van volksgezondheid. Deze ideoloog geloofde in God en kreeg direkt ruzie met de tovenaar.

Die geloofde alleen in zichzelf en zei ook tegen iedereen dat God niet bestond. De Schelpridder zei dat hij dat maar beter niet meer hardop kon zeggen. De Bijbelridder was niet gediend van de malle fratsen van de kroonprins. Hij zei dat deze hofnar niet in het kabinet mocht.

De Moraalridder gaf zijn zuidelijke vriend opdracht de kroonprins te vermoorden door een mes in zijn rug te steken. Nu had hij een nieuwe kroonprins nodig. De man uit het zuiden herinnerde zich een kroonprins uit zijn streek. Die was jaren geleden naar een ander land verhuisd.

Daar was hij voor de grote draak gaan werken. De kroonprins kwam terug om de baas te worden van alle wegen en rivieren in Hol-land. De grote draak wilde eigenlijk alle landen opslokken. De nieuwe kroonprins vertelde dat er maar één manier was om dat te voorkomen.

Gewillig meewerken. Dat vond hij geen probleem. Stiekem hoopte de Moraalridder dat hij later voor de grote draak zou mogen werken. De legeraanvoerder van de Bijbelridder werd generaal van het nationale leger. Alle soldaten moesten iedere ochtend bij het appèl bidden.

Op het nieuwe uniform stond een groot kruis. De generaal las iedere avond voor het slapen een verhaaltje aan zijn manschappen uit de bijbel voor. Het volk lachte om deze regering. Ze noemden het een rariteitenkabinet. De behoefte om in opstand te komen nam af.

Alle burgers gingen hun eigen gang. Iedereen deed waar hij zin in had. De Moraalridder stond er bij en keer er naar. De Bijbelridder was op een missie voor God en kon dat niet accepteren. Hij besloot de Moraalridder van de troon te stoten. Eerst liet hij de Moor ophangen.

Die geloofde in een andere God en had in een vreemde bijbel gelezen. Daarna stak hij de irritante tovenaar dood. Die bleef maar roepen dat God niet bestond. De Moraalridder huilde en zei dat hij graag één keer een kabinet tot een goed einde wilde brengen.

De Bijbelridder riep dat hij een kruisvaarder was en noemde de Moraalridder een slappeling. Hij trok zijn zwaard en riep dat God met hem was. De Schelpridder zat bibberend onder tafel en hield zijn handen voor de ogen.

Het zwaard flitste door de lucht en toen werd ik wakker.

.

.

.

3 Responses to Het sprookje van de 3 ridders

  1. Neem je nog wel steeds op tijd je pilletjes in, Willem.

  2. Naar mijn smaak werd je net te vroeg wakker.

  3. Zin in actie?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>